Als u een schildklierknobbel hebt, dan willen we vaststellen of deze goedaardig of kwaadaardig is. We maken een echo van de hals en meestal doen we ook een punctie. Met een dunne naald haalt de arts cellen uit de schildklierknobbel. De patholoog onderzoekt de cellen.
Het onderzoek van schildkliercellen is erg moeilijk. De uitslag van een punctie is niet altijd duidelijk. Die kan zijn:
- vrijwel zeker kwaadaardig,
- vrijwel zeker goedaardig,
- geen uitspraak mogelijk. In dat geval krijgt u soms opnieuw een punctie.
Als de uitslag vrijwel zeker kwaadaardig is, dan verwijst de arts u voor een schildklieroperatie. Ook als bij herhaling geen uitspraak mogelijk is, volgt vaak een schildklieroperatie.
Bij een schildklieroperatie verwijdert een chirurg of KNO-arts operatief de schildklierhelft met de knobbel. De patholoog doet uitgebreid onderzoek op het verwijderde deel. Is de diagnose definitief kanker, dan volgt operatieve verwijdering van de rest van de schildklier. Soms wordt direct bij de eerste operatie al de hele schildklier verwijderd.
Ongeveer vier tot zes weken na de laatste operatie krijgt u meestal een behandeling met radioactief jodium om resterende (kwaadaardige) schildkliercellen te vernietigen. Hiermee vermindert het risico dat de ziekte terugkomt. Na afloop van de behandeling met radioactief jodium krijgt u schildklierhormoontabletten (levothyroxine) voorgeschreven. Die hebt u levenslang nodig. Soms moet de behandeling met radioactief jodium meerdere malen herhaald worden.
Na behandeling voor schildklierkanker blijft u jarenlang onder controle. Bij elke controleafspraak op de polikliniek vraagt de arts of u zelf bijzonderheden in de hals hebt opgemerkt. De arts onderzoekt uw hals en gaat na of de dosis schildklierhormoontabletten goed is. De eerste jaren krijgt u een relatief hoge dosis, daarna kan de dosis wat omlaag. Bij het controlebezoek nemen we ook bloed af. De spiegel van het thyreoglobuline (Tg) in het bloed is een belangrijke merkstof. Zo nodig krijgt u een echografie van de hals.