UMC St Radboud

Laat deze pagina voorlezen
print
Trombose & longembolie

Dat bloed kan stollen is bekend: denk maar aan een korstje op een wondje. Ook ín de bloedvaten kan het bloed stollen onder bijzondere omstandigheden. In de bloedvaten ontstaan dan bloedpropjes. Dit heet trombose. Zonder behandeling kan de bloedprop zo groot worden dat het bloedvat verstopt raakt. Er kan dan geen bloed meer door de aders stromen. Of de bloedprop raakt los van de wand en schiet door naar de longen. In het laatste geval spreken we van een longembolie.

Oorzaak en verschijnselen

Trombose ontstaat meestal in de dieper liggende aders. Artsen noemen dit diep veneuze trombose. Diep veneuze trombose komt vooral voor in de aders van de benen en het bekken. De stollingen beginnen in de kuit en kunnen zich uitbreiden naar het bovenbeen. Het been doet pijn, zwelt op en wordt rood. Een gevaarlijke complicatie bij trombose is een longembolie. Daarbij schiet een stukje stolsel los dat via de bloedbaan in de longen terechtkomt.
Er zijn ook nog andere vormen van trombose. Trombose in de oppervlakkige aders heet tromboflebitis. 

  • Wanneer er verdenking is op een trombose, krijgt u eerst een bloedonderzoek. Bij verdenking op een diep veneuze trombose in een been verrichten we ook een echografie van de bloedvaten van uw been. Bij verdenking op een longembolie maken we een CT-scan van uw longen.

  • Diep veneuze trombose en longembolie behandelen we met  medicijnen die er voor zorgen dat het bloed minder gemakkelijk stolt. U krijgt eerst spuitjes die meteen effect hebben. Daarnaast start u met tabletten (Acenocoumarol of Fenprocoumon). Zodra de stolling van het bloed goed is  ingesteld met deze tabletten, kunt u stoppen met de spuitjes. De trombosedienst controleert uw bloed en bepaalt vervolgens hoeveel tabletten u moet gebruiken. Patiënten met een trombosebeen krijgen ook een steunkous.

Patiëntenfolder