Een gewricht verbindt twee botten bewegelijk met elkaar. Op de uiteinden van de botten zit een laagje kraakbeen, zodat de botuiteinden gemakkelijk en soepel over elkaar glijden tijdens de gewrichtsbewegingen. Kraakbeen is ook een soort schokdemper. Bij artrose is het laagje kraakbeen dunner dan normaal en het kraakbeen is minder soepel. Het gewricht kan daardoor minder bewegen en dit leidt tot pijnklachten.
Het heupgewricht is een kogelgewricht. Bij een kogelgewricht heeft het ene gewrichtsvlak de vorm van een kom, de heupkom en het andere gewrichtsvlak dat van een bol, de heupkop. Kop en kom passen precies in elkaar en kunnen naar alle kanten scharnieren. Het heupgewricht verbindt het bekken met het dijbeen. De gewrichtskom bevindt zich in het bekken en de heupkop zit aan het bovenste uiteinde van het dijbeen. Door het heupgewricht kan het been in alle richtingen worden gedraaid.
De oorzaak van artrose is niet helemaal bekend. Soms komt het in bepaalde families vaker voor, een erfelijke aanleg. Slijtage treedt ook op na een andere aandoening of vormverandering van het heupgewricht, bijvoorbeeld:
- aangeboren heupdysplasie (ontwikkelingsstoornis van de heup vanaf de geboorte),
- de ziekte van Perthes, heupkopafsterving (door medicijnen of alcohol),
- beschadiging door bestraling,
- een ongeval,
- reuma waarbij het gewricht ernstig is ontstoken.
Mensen met overgewicht of erfelijke aanleg krijgen eerder last van slijtage als die aanwezig is. Dit geldt ook voor zwaar lichamelijk werk en topsport.
Heupgewrichtsslijtage kan behandeld worden met:
- medicijnen
om de pijn te verlichten en eventuele ontsteking te remmen,
- fysiotherapie
om de bewegelijkheid te verbeteren,
- een operatie
om de stand en passing van het gewricht te veranderen,
- een gewrichtsprothese.