De interventieradioloog geeft u een verdovingsprikje in de lies en prikt op die plaats de slagader aan. Vervolgens schuift hij een voerdraad door de naald. Dit gebeurt onder röntgendoorlichting. Daarna brengt hij een kort plastic buisje (introducersheath) via de voerdraad in. Via dit buisje kan hij een heel dun slangetje (katheter) op de juiste plaats in één van de te onderzoeken bloedvaten plaatsen. Door dit slangetje spuit hij de contrastvloeistof in de bloedbaan. Tegelijkertijd maakt hij foto’s. Het is belangrijk dat u tijdens het onderzoek heel stil blijft liggen. Als de interventieradioloog voldoende informatie heeft verzameld kan de behandeling starten.
Twee behandelingen
Er zijn twee behandelingen mogelijk:
- Bij de PIER-procedure (percutane intentionele extraluminale rekanalisatie) leggen we een omleiding aan voor het bloed. We doen dit door een kanaaltje te maken in de wand van het afgesloten bloedvat. Dit kanaaltje brengen we op de juiste grootte met ballonnen. We voeren dit uit via de ingebrachte katheters (dunne slangetjes). Of deze procedure slaagt, hangt af van de kwaliteit van het bloedvat. Soms moeten we bij deze procedure ook stents gebruiken. Dit zijn gaaswerkjes die het bloedvat aan de binnenkant ondersteunen om een mooi vat te vormen.
- Bij een dotterprocedure rekken we een vernauwd of afgesloten bloedvat op. We vervangen hiervoor de eerder ingebrachte katheter door een ballonkatheter. Het opblazen van het ballonnetje rekt het vernauwde bloedvat op. Dit gebeurt onder röntgendoorlichting. Door het inspuiten van contrast door dezelfde katheter kunnen we het resultaat controleren. Is het resultaat goed? Dan verwijderen we de katheter uit het bloedvat en drukken we de slagader ongeveer tien minuten stevig dicht. Bij onvoldoende resultaat herhalen we de procedure of plaatsen we een stent.
Aan het einde van beide behandelingen verwijderen we de katheter (en introducersheath) uit het bloedvat en drukken we de slagader ongeveer tien minuten stevig dicht. Hierna krijgt u een drukverband en gaat u terug naar de afdeling. U moet hier nog vier tot zes uur plat blijven liggen. U mag het been waarin geprikt is dan niet bewegen. Dit om een nabloeding van het wondje in de lies te voorkomen.
Voorbereiding
Zwangerschap
Bent u zwanger? Neem dan contact op met uw behandelend arts. Die overlegt met u (en zonodig met de interventieradioloog) of het onderzoek kan doorgaan.
Medicijnen
Neem de verpakking mee van de medicijnen die u dagelijks gebruikt. Het is namelijk belangrijk dat uw arts weet welke medicijnen u gebruikt. Dat geldt met name voor bloedverdunnende medicijnen (aspirine, Sintrom, Marcoumar) en tabletten voor de behandeling van suikerziekte (Metformine). Uw arts of interventieradioloog beoordeelt of u de medicijnen kunt blijven gebruiken.
Eten en drinken
- Tot vier uur voor het onderzoek kunt u normaal eten en drinken.
- Tot twee uur voor het onderzoek mag u nog een beschuit met beleg en een kop thee of koffie gebruiken.
- Tot aan het onderzoek mag u water drinken.
Bijwerkingen
Van de contrastvloeistof kunt u het even heel warm krijgen. Ook kan er een prikkelend gevoel ontstaan in het gebied dat wij onderzoeken. Deze verschijnselen gaan meestal snel over.
Nazorg
Na afloop gaat u terug naar de verpleegafdeling. Hier moet u de aanwijzingen van de verpleegkundige opvolgen en een aantal uren plat blijven liggen. De verpleegkundige controleert regelmatig uw bloeddruk en of de prikplaats lekt. Na een laatste controle haalt de verpleegkundige het drukverband eraf. Hierna heeft u nog wel een aantal uren bedrust.
De afdelingsarts vertelt wanneer u naar huis mag. Meestal is dat de ochtend na de behandeling.