Cochleaire implantatie is een relatief nieuwe ontwikkeling in hoorapparatuur. Een cochleair implantaat kan een geschikt hulpmiddel zijn als u doof of ernstig slechthorend bent en u vanwege een defect in uw slakkenhuis met een gewoon hoortoestel geen of weinig geluiden kunt waarnemen.
Geen geluidsversterking, maar omzetting
Gewone hoorapparaten maken geluiden harder. Als u een ernstige beschadiging hebt aan uw slakkenhuis, leidt deze ‘gewone’ geluidsversterking niet tot verbetering van de geluidswaarneming. Een cochleair implantaat versterkt het geluid niet, maar zet het om in elektrische signalen die in het slakkenhuis worden doorgegeven aan de gehoorzenuw. Hierdoor kunt u als uw slakkenhuis defect is, toch weer geluiden waarnemen. Deze geluidswaarneming is echter anders dan die van normaal horenden. Een cochleair implantaat verandert, net als een gewoon hoortoestel, niets aan de doofheid zelf.
Cochleair implantaat: implantaat en spraakprocessor
Een cochleair implantaat bestaat uit twee delen: het implantaat zelf en de spraakprocessor. Het implantaat brengen we via een operatie in onder uw hoofdhuid, schuin achter/boven de oorschelp. Het is een ontvangertje waaraan een aantal elektroden verbonden is. Deze elektroden schuiven we in het slakkenhuis. Na implantatie groeit de wond dicht. De spraakprocessor, een apparaat dat te vergelijken is met een hoortoestel en/of oorhanger, draagt u uitwendig.
Werking van een cochleair implantaat
Een microfoontje vangt de geluiden op. Het signaal gaat via een snoertje naar de spraakprocessor. De spraakprocessor is een microcomputer die de opgevangen geluiden omzet in een elektrisch signaal. De spraakprocessor geeft dit signaal door (1) aan de zendspoel (2) die het door de huid naar het implantaat (3) stuurt. Daar wordt het signaal door stimulatie van de elektroden (4) doorgegeven aan de gehoorzenuw (5).
