De bedoeling van de arthroscopie is het stellen van een diagnose en eventueel letsel zo mogelijk direct behandelen. Meniscusscheuren, kraakbeenletsel, kruisbandscheuren en slijmvliesontstekingen kunnen geconstateerd worden. Tijdens de scopie kan de arts zo nodig direct behandelen of besluiten tot een (grotere) ingreep op een later tijdstip.
Meniscusscheur
Een meniscusscheur kan bij uitstek met de arthroscopie behandeld worden. Alleen het gescheurde deel wordt gehecht of eventueel verwijderd en het goede deel blijft op z’n plaats. Dit is beter voor het gewricht, omdat het verwijderen van de gehele meniscus eerder tot slijtage kan leiden. Losse stukjes kraakbeen en bot kunnen ook met de arthroscoop verwijderd worden.
Gescheurde kruisband
Bij een gescheurde kruisband zal afhankelijk van de ernst van de scheur besloten worden tot intensieve fysiotherapiebehandeling of een vervolgoperatie om de kruisband te vervangen. De ernst van kraakbeenslijtage kan met een kijkoperatie goed beoordeeld worden.
Kraakbeenschade
Bij zeer locale kraakbeenschade kan door het opboren van het bot geprobeerd worden om littekenweefsel aan te maken dat lijkt op kraakbeenweefsel. Bij uitgebreidere kraakbeen slijtage zijn soms andere operatieve mogelijkheden nodig.
Tijdens de operatie worden twee of drie sneetjes (incisies) van ongeveer een centimeter op verschillende plaatsen van de knie gemaakt. Door één van de incisies wordt de kijker met een lichtkabeltje ingebracht en spoelvloeistof ingespoten zodat de chirurg een helder beeld van het gewricht heeft. De tweede en/of derde incisie is voor het instrument waarmee de arts bijvoorbeeld beschadigde kraakbeenstukjes of een gescheurd stukje meniscus kan afknippen. In totaal duurt een arthroscopie ongeveer een half uur. De operatiesneetjes worden meestal niet gehecht maar afgeplakt. Na de ingreep wordt een drukverband om de knie aangelegd om de kans op nabloeden te verkleinen.